Vakwerk - Stichting Jacob Kritzraedt

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Vakwerk

Standpunten-varia





RESTAURATIE VAN EEN LANDARBEIDERSHUISJE TOT

TWEE MONUMENTALE VAKWERKWONINGEN

TUDDERENDERWEG 145 – SITTARD






RESTAURATIE IN OPDRACHT VAN DE STICHTING JACOB KRITZRAEDT



EEN VAKWERKHUISJE AAN DE TUDDERENDERWEG

De Stichting Jacob Kritzraedt is in 1952 in het leven geroepen om te voorkomen dat een gedeelte van de Begijnenhofwal zou worden afgegraven. De stichting zet zich sindsdien in voor het behoud van monumentale en monumentwaardige gebouwen in Sittard. Daartoe koopt zij bedreigde panden aan, restaureert ze en verhuurt ze vervolgens.

Vanuit die doelstelling heeft de stichting in 2004 een op dat moment behoorlijk vervallen vakwerkhuisje aan de Tudderenderweg 145 in Sittard aangekocht en gerestaureerd tot twee kleine huurwoningen. Het huisje is begin 2004 aangewezen als gemeentelijk monument.



zo zag het huisje er van de straat af uit . . .

Bij de inventarisatie van de potentiële monumenten in onze gemeente heeft men dit huisje letterlijk en figuurlijk over het hoofd (of liever: het dak) gezien. Vanaf de straat was namelijk nauwelijks te zien dat hier een gaaf voorbeeld van een landarbeidershuisje was blijven staan, tegen de verwachting van de vroegere bewoners in. Zoals veel agrarische kernen in onze regio bestond Stadbroek in de 18e eeuw uit enkele wat grotere hoeves en een aantal huisjes voor landarbeiders. Deze huisjes waren opgetrokken uit goedkope materialen en kenden daardoor normaliter geen lange levensduur. Bij onderzoek naar de ouderdom van het toegepaste hout was het daarom geen verrassing dat ook hier geen duur eikenhout was gebruikt maar hout uit de directe omgeving zoals beuken, grenen en zelfs grove den. Dat nu juist dit huisje de tand des tijds heeft doorstaan, zal altijd een raadsel blijven. Maar raadsel of niet, we kunnen blij zijn dat een van de laatste getuigen van de agrarische geschiedenis van Stadbroek bewaard is gebleven!

We weten niet wanneer het huisje precies is gebouwd. Een dendrochronologisch onderzoek (tijdbepaling aan de hand van de jaarringen) kan blijkbaar alleen bij eikenhout. Omdat bij het huisje goedkoper hout is toegepast, kon daarmee de leeftijd niet bepaald worden. Dus waren we gedwongen omtrekkende bewegingen te maken om aan de hand van kadastergegevens, kaarten en andere archiefstukken meer te weten te komen.
De oudste gegevens komen uit de volkstelling van 1799 en vertellen dat er toen een familie Schroers (Schrörs) woonde waarvan de man al 23 jaar woonachtig was in Stadbroek (dus vanaf 1776). Deze Gerardus Schroers was in 1779 getrouwd en vrijwel zeker de eerste eigenaar van het pand. Het huisje is dus waarschijnlijk gebouwd tussen 1776 en 1799 en heeft stilletjes aan de respectabele leeftijd van meer dan 200 jaar bereikt! Tussen haakjes: volgens de volkstelling woonden er op dat moment 5 volwassenen en 4 kinderen in dit landarbeidershuisje!

Op een kaart (minuutplan) van rond 1820 staat het huisje getekend naast een grotere boerderij in “Stadt-Brouck”. De Tudderenderweg is dan nog niet aangelegd (dat gebeurt pas in 1866) maar de situatie zal in wezen niet veel afgeweken hebben van die op een foto uit 1895, zij het dat het aantal huizen in Stadbroek veel kleiner was.




Op later kaartmateriaal ligt het huisje aan de Tudderenderweg maar heeft de hoeve plaats gemaakt voor kleinschaligere bebouwing, de huidige buurpanden. De daarop volgende kaarten laten een toename zien van de bebouwing maar tegelijkertijd ook het verdwijnen van de agrarische gronden.

Alle buitendeuren bevinden zich in de rechter zijgevel, aan een smalle doorgang langs het huis van de buurman. Deze doorgang heeft de gebruikelijke “droogloop” gekregen door het dak over te laten steken, de zogenaamde “luif”. Op de foto van de voorkant is te zien dat de nok daardoor niet in het midden ligt. Dat had als bijkomend voordeel dat de nokbalk naast de schoorsteen kwam te liggen waardoor het brandgevaar kleiner werd.

Op de tekening van de andere zijgevel is duidelijk te zien dat het huisje in drie fasen is gebouwd: eerst het middendeel, te zien aan de schuine schoren die de stabiliteit van het houten raamwerk moesten waarborgen. Daarna is men naar voren gaan uitbreiden en weer later heeft men de stal en de schuur aan de achterzijde gebouwd. De gemetselde voorgevel is van latere datum. Een dergelijke “verstening” zien we op een gegeven moment overal ontstaan, van de ene kant om een betere waterdichtheid te krijgen maar zeker ook om de toegenomen welstand van de eigenaar te laten zien. Ondanks een pleisterlaag bleek de gevel toch vocht door te laten, reden waarom de vorige eigenaar asbestcementplaten had aangebracht die het huisje letterlijk en figuurlijk aan het oog onttrokken! We moeten namelijk wel bedenken dat het nooit in het hoofd van de toenmalige bouwers zal zijn opgekomen dat dit eenvoudige landarbeidershuisje het ooit tot de achtenswaardige status van monument zou schoppen!



   I<       3e fase        >I<           1e fase            >I<               2e fase                    >I
(tekening: Architectenbureau Albertz I Hendrix architecten)


Bij de voorbereiding van de restauratie bleek dat niet alleen de voorgevel aangepakt moest worden, ook het leemwerk van de vullingen was door cementering “gestikt”. Verder was het huisje door ophoging van het omringende terrein steeds verder “weggezakt” en daardoor was het houtwerk aan de onderzijde totaal vermolmd. Last but not least had een enorme klimop zich door de muren en het dak “gevreten”. Een schrale troost was de constatering dat het vakwerk van het middelste en dus oudste deel nog het meest gaaf was!


Vakwerkbouw
Vakwerkbouw is in onze kontreien tegenwoordig zeldzaam maar millennia lang was deze manier van bouwen gemeengoed. Deze methode werd indertijd niet toegepast met de gedachte de eeuwen te kunnen trotseren. In dat geval werden altijd steenachtige materialen gebruikt, zeker als het ging om God en Vaderland. Hoe groter de godsvrucht en hoe verder de afstand tussen de machthebbers en het volk, des te fraaier en duurzamer waren de bouwstenen waarmee kerken, kloosters, kastelen en paleizen werden opgetrokken. Gelukkig maar, want waren onze voorouders alleen in vakwerk blijven bouwen, dan hadden wij nu niet kunnen genieten van een rijk monumentaal erfgoed. Want wat rest ons nog aan bouwhistorie uit de tijd van de Bandkeramiekers? Toch alleen maar een paar verkleuringen van de bodem ter plaatse van de palen van hun boerderijen!

Dat brengt ons terug bij het onderwerp: vakwerkbouw. Vanaf het moment dat de jagende mens een verzamelaar werd, ontwikkelde hij een steeds groter vernuft om met de in zijn omgeving voorhanden zijnde materialen een beschutting te bouwen tegen het klimaat die tevens bescherming bood tegen onheil. Op de keper beschouwd is de bouwmethode die de Bandkeramiekers zo’n 7000 jaar geleden toepasten niet wezenlijk anders dan die bij het huisje aan de Tudderenderweg! Eerst een houten geraamte opzetten en dat stevig in de grond verankeren. Daarna stro of riet op het dak leggen en de wanden bekleden, op een paar openingen na om naar binnen en naar buiten te gaan en om een beetje licht en lucht te kunnen krijgen.

Proefondervindelijk en door de ontwikkeling van beter gereedschap werden in de loop der tijd zowel het bouwen zelf als de toegepaste materialen geoptimaliseerd: het rondhout voor het geraamte werd rechthoekig zodat de verbindingen steviger werden; de dakbedekking van stro of riet werd vervangen door gebakken pannen die waterdichter, duurzamer en brandveiliger waren; de wanden werden niet meer bekleed maar de muurvlakken werden gevuld met een stevig vlechtwerk waartegen een waterkerende en goed isolerende laag werd aangebracht. Doordat men materialen uit de directe omgeving toepaste en de handen vaak zelf uit de mouwen stak, bleven de bouwkosten te overzien. Deze combinatie is de reden geweest dat deze bouwmethode zo lang toegepast is gebleven, zelfs in de steden. Daar vormde het gevaar van brandoverslag echter de aanleiding om het bouwen met hout en vooral het dekken met stro of riet in de stad te verbieden. Op enkele panden na, treffen we daarom in de binnenstad van Sittard geen vakwerkgevels meer aan. Bij verbouwingen en sloop blijkt echter nog vaak dat tussenmuren in vakwerk zijn uitgevoerd.

Het was gebruikelijk dat het hele geraamte plat op de grond liggend in elkaar werd gezet, daarna uit elkaar gehaald en vervolgens als skelet weer opgebouwd. Om dan alles op de juiste plek te krijgen, werden bij de verbindingen zogenaamde “telmerken” ingesneden of ingekapt. Op de foto is naast het telmerk (een 3 in Romeinse cijfers) ook duidelijk te zien hoe de verbindingen met houten pennen werden uitgevoerd.



Nadat de “gebinten” (spanten) overeind waren gezet, werden schuine “schoren” aangebracht om te zorgen dat het geraamte stevig bleef staan. Tussen de gebinten werden vervolgens horizontale “regels” aangebracht voor de buitenwanden. In de zo ontstane vakken (vandaar de naam: vakwerkbouw!) werden in de regels groeven gekapt waarin dan verticale “stokken” werden geplaatst (foto 1) voor het vlechtwerk van wilgentenen (foto 2). Hierop en hiertussen werd daarna aan de buiten- en binnenkant een mengsel van leem, koemest en fijngehakt stro gepropt (foto 3) dat vlak werd afgewerkt (foto 4). Vroeger bleef het daar meestal bij maar op een gegeven moment ging men ertoe over de leemvlakken te witten en het houtwerk zwart te schilderen. Dit is het beeld dat de meeste vakwerkboerderijen in het Zuid-Limburgse heuvelland laten zien. Bij het vakwerkhuisje aan de Tudderenderweg is het bedoeling om de natuurlijke kleuren te behouden.

                      

1. aanbrengen stokken                                                            2. aanbrengen vlecht- en leemwerk

    



3. aanbrengen leem





4. vlak afwerken



Afwegingen bij de restauratie
Bij de restauratie van een dergelijk karakteristiek maar zwaar onderkomen boerderijtje tot woningen die moeten voldoen aan de huidige eisen, moeten afwegingen gemaakt worden die soms leiden tot bouwhistorische gewetensproblemen!

Wanneer de oorspronkelijke bestemming van een te restaureren pand behouden kan blijven en de originele materialen ook nog grotendeels bruikbaar blijken, zal dat niet tot slapeloze nachten leiden voor de mensen die bij de restauratie betrokken zijn. Maar de werkelijkheid is meestal heel anders!

Het vakwerkhuisje aan de Tudderenderweg is gebouwd als woonhuis met stal en schuur maar een agrarische functie is nu niet meer haalbaar. Daarom is besloten er twee woninkjes in te realiseren maar dat hield ook in dat het oudste stuk, het middendeel, voor de helft naar de voorste en voor de andere helft naar de achterste woning zou gaan.
Afweging 1: is een wijziging van de bestemming toegestaan als dat leidt tot een doorbreking van de oorspronkelijke structuur?

Omdat het oorspronkelijke leemwerk gecementeerd en dus verstikt was, wisten we dat het vlechtwerk en de leemvulling vervangen zouden moeten worden. Maar ook het hout van het geraamte bleek veel slechter dan verwacht, zij het dat het oudste gedeelte zich het beste gehouden had! Verder was de grond rondom het huisje in de loop van de tijd opgehoogd en daardoor was het onderste gedeelte van het vakwerk volledig verrot. Om verdere problemen te voorkomen is het houtwerk aan de onderzijde ingekort en vervangen door een natuurstenen plint.
Afweging 2: hoever mag je gaan met het aanpassen van de constructie en het toevoegen van nieuwe materialen?

De dakbedekking bestond uit dakpannen met daaronder alleen (verrotte) stropoppen. Om aan de huidige isolatie-eisen te kunnen voldoen, is een isolerende dakplaat toegepast. Ook moest er aan beide zijden een dakgoot worden aangebracht.
Afweging 3: is een dergelijke ingrijpende wijziging van de dakconstructie te verdedigen?

Ofschoon een leemvulling in de loop van de eeuwen bewezen heeft een behoorlijke isolatie te bieden, liggen de tegenwoordige eisen zo hoog dat aan de binnenzijde toch nog extra isolatie moest worden aangebracht. Daardoor is binnen in de woning geen vakwerk en geen leemvulling meer zichtbaar.
Afweging 4: is een dergelijke aanzienlijke wijziging van de belevingswaarde acceptabel?

Tenslotte: twee eigentijdse woningen realiseren in één voormalig landarbeidershuisje vraagt om indelingen en installaties die bij de oorspronkelijke bestemming niet aan de orde waren. Dus: zeker aan de binnenkant een gedaanteverandering die de karakteristiek van het oude vakwerkhuisje volledig maskeert!

Dat alles leidt tot de vraag, of na een dergelijke ingrijpende verbouwing nog wel sprake is van een gerestaureerd monument? Of is het eigenlijk nieuwbouw in een pittoresk jasje?
Afweging 5: is in het onderhavige geval de historische integriteit al dan niet in het geding? Is historie van het vakwerkhuisje nog goed herkenbaar of is de geschiedenis duidelijk geweld aangedaan?

Persoonlijk ben ik van mening dat de buitenkant nog steeds een goed beeld geeft van een landarbeidershuisje uit die tijd, in elk geval beter dan voor de restauratie. Maar vooral door de functiewijziging geldt dat zeker niet meer voor de binnenkant! Dat oordeel is echter van toepassing op vrijwel alle restauraties waarbij de oorspronkelijke functie niet meer houdbaar of haalbaar is.



vóór . . .

                                                            

                                                        tijdens . . .

                                                                                          

                                                                                         en na de restauratie

Hoe de kapel van Abshoven te redden wanneer er geen behoefte (meer) blijkt te bestaan voor een bedehuis? Hoe de Paterskerk in Geleen te behouden zonder er iets anders in te realiseren? Hoe de Dominicanen- en Ursulinenkloosters nieuw leven in te blazen zonder er economisch haalbare bestemmingen in onder te brengen?

Natuurlijk heeft het behoud van de oorspronkelijke bestemming de voorkeur maar ook in restauratieland is het betere de vijand van het goede: zonder functiewijziging zal restauratie vrijwel nooit haalbaar blijken! Het is in dat geval zaak de (bouw)historie leidend te laten zijn, de verschijningsvorm in principe te behouden en de benodigde aanpassingen reversibel (weer terug te draaien) te maken.

Zo samengevat lijkt historische integriteit geen problemen op te leveren. In het leven van alledag zal door de betrokkenen echter telkens de afweging gemaakt moeten worden, welke aanpassingen nog wel of net niet meer gedaan kunnen worden. Monumentenbehoud of Anton Pieck? Dat is de vraag!

Peter Vossen, secretaris Stichting Jacob Kritzraedt




                                                                                        






Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu